“De kans is met 50% gestegen.”
Dat klinkt als een flinke stijging.
Maar om te weten hoe groot die stijging echt is, heb je nog een getal nodig: waar begon je?
Van 2 naar 3 is ook 50% meer
Stel dat vorig jaar 2 van de 100 mensen een bepaald product kochten.
Dit jaar zijn dat er 3 van de 100.
De stijging is 1 persoon.
Maar procentueel is de stijging 50%.
Want 3 is 50% meer dan 2.
De uitspraak “50% meer mensen kochten het product” klopt dus. Maar zonder de aantallen klinkt het effect groter dan wanneer je zegt: “het ging van 2 naar 3 van de 100 mensen.”
Hetzelfde percentage kan iets heel anders betekenen
Neem twee winkels.
Bij winkel A stijgt het aantal bestellingen van 10 naar 15.
Bij winkel B stijgt het aantal bestellingen van 10.000 naar 15.000.
In beide gevallen is de stijging 50%.
Maar bij winkel A gaat het om 5 extra bestellingen. Bij winkel B om 5.000.
Het percentage is hetzelfde. De omvang is totaal anders.
Dit kom je overal tegen
Percentages worden veel gebruikt omdat je er veranderingen makkelijk mee kunt vergelijken.
Bijvoorbeeld bij:
- prijzen;
- omzet;
- kortingen;
- risico’s;
- enquêtes;
- bezoekersaantallen;
- nieuwsberichten.
Daar is niets mis mee. Maar een percentage zonder het oorspronkelijke aantal geeft maar een deel van de informatie.
Vraag altijd: 50% van wat?
Zie je een groot percentage, zoek dan naar het getal erachter.
“30% minder klachten.”
Hoeveel klachten waren er eerst?
“De kans is verdubbeld.”
Van 1 op 10 naar 2 op 10? Of van 1 op 10.000 naar 2 op 10.000?
“80% van de klanten is tevreden.”
Hoeveel klanten zijn ondervraagd?
Met die extra informatie kun je het percentage veel beter beoordelen.
Samengevat
Een percentage vertelt hoe groot een verschil is ten opzichte van het begin.
Het vertelt niet automatisch hoe groot het verschil in aantallen is.
Zie je een percentage? Vraag dan: hoeveel was het eerst en hoeveel is het nu?
Dat zijn de cijfers die je nodig hebt.
